Talk that talk

Als autist heb ik soms moeite met communicatie. En dan bedoel ik eens niet het stereotype niet begrijpen wat iemand bedoelt of wanneer iemand verdrietig is, maar gewoon, het praten an sich. Geluid maken. Woorden vinden.

Ik zeg “soms”, omdat het lang niet altijd het geval is. Er zijn dagen dat ik fris en fruitig over straat huppel, de buschauffeur goedemorgen wens, iemand erop wijs dat ‘ie z’n ov-chipkaart heeft laten vallen, alles. Er zijn dagen dat ik geen autisme lijk te hebben. Dan ben ik spontaan en leuk en vrolijk.

Ook goeiemorgen

Maar er zijn ook van die dagen… Dan krijg ik er nog geen “hallo” uit. Ik werd gisteren boos aangekeken door een oud dametje bij yoga, omdat ik geen goeiemorgen terugzei. Ik had best goeiemorgen willen zeggen, maar mijn hersentjes waren te langzaam. Toen eenmaal goed en wel tot me door was gedrongen dat deze vrouw wat had gezegd, dat ik dus wat terug moest zeggen en wát dan precies, waren er al luttele seconden verstreken en werd er al boos in mijn richting gestaard. “Oh, eh, goeiemorgen…”, stamelde ik. “Asociale jongere!”, hoorde ik de vrouw denken.

Praat Nederlands met me

Het zijn vaak de momenten dat ik heel moe ben. Dan lijkt het net alsof de verbindingen naar de achterkamertjes van mijn hersenen niet meer zo goed werken. Dan zou ik iets willen zeggen als: “Laten we zo eens ontbijten met een lekker bakje brinta en een kop thee!”, en dan komt eruit: “Zo. Eten. Thee. Nee, pap.” Met Riemer geen probleem, die begrijpt me wel. Maar bij andere personen kan het nog wel eens onbeschoft overkomen.

Daarom doe ik in gezelschap dan ook mijn uiterste best om de juiste woorden te vinden. Donderdag gingen we uit eten met Riemers ouders, na een drukke dag met twee stagiaires en een gare tablet die WordPress steeds uitlogt. Kortom, ik was al moe, maar ik wil ’s avonds natuurlijk wel een beetje sociaal overkomen. Het voelt misschien nog het meest alsof ik het hele gesprek in het Frans moest doen. Zoekend naar woorden, prutsend aan zinnen… En het luisteren naar de tegenpartij is al net zo lastig.

Echo

En dan is er nog dat rare verschijnsel. Palilalie. Dat houdt in dat je jezelf gaat napraten, direct of enige tijd later. In mijn geval dus enige tijd later, als ik alleen ben en mijn hersentjes de tijd krijgen om de achterstand in te halen. Dan beginnen de gesprekken zich te herhalen, en als ik niet oplet herhaal ik hardop mijn zinnen. “Oh, wat leuk, ja gezellig!” Ik weet niet wat mijn hoofd precies aan het doen is. Aan het oefenen? Aan het controleren of ik wel normale dingen heb gezegd?

Vroeger was ik altijd heel kritisch op mezelf, en dacht ik tijdens zulke momenten vooral aan wat ik beter had kunnen doen. Tegenwoordig zijn het meer random fragmenten. Maar toch is daar die kleine adrenaline-rush, die ik ook voelde op het moment dat ik écht aan de balie bij Starbucks stond om een drankje te bestellen. Toen de barista mijn naam niet verstond, en ik ‘m nog eens moest herhalen. Een doodnormaal iets, maar mijn hoofd loopt rood aan, en mijn brein speelt het moment de komende uren nog herhaaldelijk af.

Stempeltje erop?

Misschien lees je dit en denk je, huh, dit heb ik nog nooit aan je gemerkt? Hoera, punten voor mij! Misschien lees je dit en denk je, ja maar, iedereen kan toch wel eens niet uit z’n woorden komen? Waarom moet daar nou weer een stempeltje op? (Deze reactie, hoewel vaak goedbedoeld, vind ik zó irritant!) Waarom daar een stempeltje op moet? Omdat ik voorheen dacht dat ik achterlijk was. Onbeschoft. Asociaal. Ik bedoel, je kan toch wel normaal praten? Tegenwoordig weet ik dat het een onderdeel is van autisme, en dat is fijn. Ben ik in ieder geval niet achterlijk.

Een reactie op “Talk that talk”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *