(hoe) moet je praten met alt-right?

Zoals jullie weten, schrijf ik af en toe ook politiek geëngageerde stukjes op deze blog. En hoewel mijn twitter-timeline net zo goed bestaat uit Balenciaga-crocs en Japanners die “fuck” leren zeggen, gaat het ook daar vaak over politiek. Ik volg activisten, politici, opiniemakers, advocaten. Geregeld retweet ik ze, of doe ik zelf een duit in het zakje. Maar de laatste tijd ben ik wat stiller. Ik vraag me namelijk iets af.

Hoe discussieer je met alt-right? En moet je dat überhaupt wel doen?

We hebben het allemaal voorbij zien komen de laatste tijd. Klimaatverandering is niet man-made (ook al vindt 99% van de wetenschappers op dat gebied dat wél), negers zijn dom, weermannen met kritiek moeten ontslagen worden, Kajsa Ollongren moet worden aangeklaagd omdat ze kritiek uit, en wie vindt dat de H&M-trui met “coolest monkey in the jungle” racistisch is, is zelluf een racist, want zwarte mensen met apen vergelijken, wie dóet dat nou helemaal?!

En wat doen wij? Wij komen met tegenargumenten. Hoe IQ geen geschikte maatstaf is, hoe deze score wordt beïnvloed door Westerse bias en door armoede, waarom klimaatverandering wél aangepakt moet worden, etcetera, etcetera. We gaan in discussie alsof onze tegenstander er met dezelfde oprechtheid in staat als wij. Maar dat is niet zo.

Pietje heeft al dan niet vlooien

Stel je een basisschool voor. De pestkop uit de klas roept dat Pietje vlooien heeft. Wij komen vervolgens aanzetten met doktersverklaringen, en proberen op alle mogelijke manieren aan te tonen dat Pietje helemaal geen vlooien heeft. Maar het is aan dovemansoren. “Fake news!” roept de pestkop. “Pietje heeft vlooien en ze zijn besmettelijk, ieeehl!” Andere klasgenoten roepen nu ook dat Pietje vlooien heeft, en een aantal moeders zegt: “Dat gerucht zal toch érgens vandaan komen. Heeft die dokter wel goed gekeken?”

Door het serieus nemen van totaal ongefundeerde claims, doen we twee dingen: we geven ze meer geloofwaardigheid, én we vernederen het slachtoffer. Want stel je voor dat je Pietje bent. Niet alleen roept een pestkop dat je vlooien hebt, vervolgens word je ook nog eens aan een reeks kritische blikken en tests onderworpen om je onschuld te bewijzen.

Zo voelt discussiëren met alt-right. Met elk snippertje aandacht dat je ze geeft, maak je ze groter. Zie Baudet. Door de sloot media-aandacht voor z’n show-aangifte van vorige week, zou je bijna vergeten dat z’n partijtje slechts twee zetels heeft. (Ter vergelijking: de Partij voor de Dieren heeft er vijf, daar hoor je zelden wat over.)

mediacircus

Types als Baudet maken gebruik van twee flaws in het hedendaagse medialandschap:

  1. We zijn gewend op niveau te discussiëren
  2. Alles draait om de clicks

Punt 1 is een overblijfsel van het oude medialandschap, vóór Trump, vóór fake news. Ooit bestond er een tijd dat liegen, ontwijken en aanvallen zorgde voor diskwalificatie. Veel columnisten, opiniemakers en journalisten gaan daar nog steeds vanuit. Maar helaas, daar komt punt 2 om de hoek kijken. In deze tijd van reality-tv en social media strijdt iedereen om een paar minuutjes van je aandacht. En wat trekt aandacht? Ruzie! Fitties! Drama! En dus gooit bijvoorbeeld een Volkskrant al hun visie uit het raam, want zo lang er maar iemand schokkende dingen zegt, leest men de krant. Kan er de volgende dag weer mooi iemand een tegen-betoog houden.

naar buiten

Maar goed, wat moet je daar nou tegen doen? Negeren? Het voelt verkeerd om niet op te treden tegen schokkende, racistische of onware uitspraken. Maar dan denk ik terug aan Pietje. Gaan we voor Pietje met z’n pestkop in discussie, gewapend met een briefje van z’n huisarts, om te bewijzen dat ‘ie heus geen vlooien heeft? Of nemen we Pietje mee naar buiten en gaan we iets leuks met ‘m doen?

Misschien is dat het. Misschien moeten we onze aandacht niet richten op de haters, maar op hun slachtoffers. Moeten we méér aandacht geven aan de gevolgen van klimaatverandering, méér aandacht geven aan de mensen die te maken hebben met racisme. Hun verhalen vertellen. Wat je aandacht geeft, groeit, zei Aristoteles ooit. (Als ik Google moet geloven…) Dus ehm. Ik ga vanaf nu geen aandacht meer geven aan de haat van Wilders, Baudet, Nanninga, Umar en al die anderen. Ik ga aandacht geven aan mooie verhalen.

3 reacties op “(hoe) moet je praten met alt-right?”

  1. An schreef:

    :-D
    Zo waar!

  2. Maarten schreef:

    De zaken die ertoe doen, zoals wetenschappelijk bewezen klimaat verandering, verdienen inderdaad de aandacht. ‘Alt-Right’ verdient inderdaad geen erkenning/aandacht. Deze groep luistert toch niet naar feiten. Dus verdienen ze het alleen nog maar om hen belachelijk te maken. Ridiculie. Neem ze in de zeik. De enige taal waar ze nog wel naar luisteren. Ik weet niet meer in welke Amerikaanse talkshow ik dit gezien heb, maar… De situatie: ‘Alt-Right’ demonstratie; tegen demonstratie. ‘Alt-Right’ wil het woord nemen; tegenstanders hadden vooraf in de buurt (goede/luide) boxen geplaatst, en speelde luid op dat moment in een tegenbeweging de muziek: “Para bailar La Bamba!” Maak die mensen maar gewoon belachelijk, naar ‘rede’ luisteren ze toch niet.

  3. moois van me schreef:

    Ik reageer wel eens op de stortvloed aan vaak racistische trolcomments die we in Vlaanderen te lezen krijgen bij artikels op nieuwssites. Niet omdat ik geloof dat mijn reactie iemand van zijn racisme zal afhelpen. Wel omdat ik me zo voorstel dat het als doelwit van die vaak racistische comments even een hartverwarmertje is om een comment te lezen dat tegen die stortvloed ingaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *